Als cellist weet ik dat klanken (trillingen) niet alleen via het gehoor binnenkomen, maar ook via de tastzin, de huid, het skelet. Het gehoor is, in het licht van de evolutie van de soorten, een oeroud orgaan. Miljoenen levens terug was mijn organisme al in staat om trillingen in de omgeving waar te nemen, nodig om te overleven. Via de tastzin van mijn huid kreeg ik het sein “veilig” of “onveilig” door. Veel later besloten cellen in mijn lichaam om zich te gaan specialiseren in het waarnemen van de meest subtiele trillingen in de lucht". Ze vormden in de loop van talloze levens een slakkenhuis met miljoenen kleine trilhaartjes, een trommelvlies, hamer en aanbeeld en twee vernuftige oorschelpen om alle geluiden op te vangen. Het gehoor is een kostbaar orgaan geworden dat ons verbindt met de wereld om ons heen én met de binnenwereld van lichaam en geest.
Elk moment van de dag zijn er geluiden in ons en om ons heen. Sommige geluiden vangen we niet bewust op, andere komen ons bewustzijn binnen zonder dat we er aandacht aan geven. Er zijn geluiden die ons tot onmiddellijke actie aanzetten, zoals een toeterende auto of een telefoon die overgaat. En er zijn geluiden waar we soms even stil bij staan en er ruimte voor maken: we luisteren ernaar. De wind, een zingende vogel, de stem van een geliefde, de bel.
Luisteren naar de bel is een bijzondere manier van luisteren. Voor je naar de bel gaat luisteren brengen we lichaam en geest bij elkaar. Je bent helemaal aanwezig voor de bel. De klank van de bel vult de hele ruimte van lichaam en geest met zijn aanwezigheid: we luisteren naar de bel. Als de klank van de bel afneemt blijven we luisteren. Als de klank niet meer waarneembaar is blijft de open ruimte in lichaam en geest, gecreëerd door het luisteren naar de bel, in stand. Een open ruimte waar plek is voor al wat is. We luisteren, niet allen met ons gehoor, maar met onze huid, ons skelet, ons hele lichaam. Niet meer naar iets specifieks, maar naar wat is. In ons en buiten ons. Zonder oordeel, zonder gehechtheid.
Zo luisteren, in deze open ruimte, vooronderstelt de volledige aanwezigheid van lichaam en geest. Als we de bel uitnodigen beginnen we daarom met deze gatha:
Lichaam, spraak en geest zijn één in stilte
Ik zend mijn hart mee met de klank van deze bel
Mogen zij die het horen ontwaken
En de cyclus van angst en lijden overstijgen